Het Spaans heeft twee gewone verleden tijden en ik maak ze nog steeds door elkaar. Niet af en toe, maar regelmatig. Bij de bakker, op het terras, als ik iets vertel aan iemand uit het dorp. De keuze tussen de pretérito indefinido en de imperfecto is precies waar veel Nederlanders vastlopen, en het helpt om één keer goed te begrijpen wat elk van de twee eigenlijk doet.
De pretérito: iets dat gebeurde en klaar is
De pretérito indefinido gebruik je voor iets wat één keer gebeurde, op een afgebakend moment in het verleden. Het is voorbij. Het heeft een begin en een eind gehad.
Ayer fui al mercado. Gisteren ging ik naar de markt.
El sábado llamé a mi hermano. Zaterdag belde ik mijn broer.
Esta mañana llegó el fontanero. Vanochtend kwam de loodgieter.
In elk van deze zinnen gebeurde er iets concreets, op een moment dat voorbij is. Dat is de pretérito indefinido. Je herkent hem aan uitgangen als -é, -aste, -ió voor regelmatige werkwoorden, maar er zijn genoeg onregelmatige vormen: fui (ging), tuve (had), vine (kwam).
Een kleine kanttekening: in Spanje, zeker in Valencia en grote delen van het zuiden, gebruik je de pretérito indefinido ook voor dingen die vandaag zijn gebeurd. Esta mañana me caí klinkt hier heel gewoon. In eerdere afleveringen zag je al hoe de voltooide tijd met haber (he comido, has estado) ook verleden tijd kan uitdrukken, maar dat is een apart verhaal.
De imperfecto: hoe het was, niet wat er gebeurde
De imperfecto beschrijft geen afgeronde actie. Hij beschrijft een situatie, een gewoonte, of hoe iets was. Er is geen duidelijk beginpunt of eindpunt.
Cuando era pequeño, vivía en un pueblo. Toen ik klein was, woonde ik in een dorp.
Todos los veranos íbamos a la playa. Elke zomer gingen we naar het strand.
Hacía mucho calor y la terraza estaba llena. Het was erg warm en het terras was vol.
De imperfecto vertelt de achtergrond van een verhaal. Hoe dingen eruitzagen. Wat er gewoonlijk gebeurde. Als je iets beschrijft, gebruik je de imperfecto. Als je iets vertelt wat er echt plaatsvond, gebruik je de pretérito.
De uitgangen van de imperfecto zijn gelukkig vrij regelmatig: -aba, -abas, -aba voor werkwoorden op -ar, en -ía, -ías, -ía voor werkwoorden op -er en -ir. Er zijn maar drie onregelmatige vormen in de hele imperfecto: ser (era), ir (iba) en ver (veía).
De twee tijden samen in één zin

Hier wordt het interessant. Je combineert ze vaak in hetzelfde verhaal: de imperfecto zet de achtergrond neer, de pretérito vertelt wat er in die achtergrond gebeurde.
Estaba en el bar cuando entró mi vecino. Ik zat in de bar toen mijn buurman binnenkwam.
Llovía mucho cuando salí de casa. Het regende hard toen ik het huis uitging.
Hablaba por teléfono cuando sonó la puerta. Ik was aan het bellen toen er aangebeld werd.
In die zinnen is de situatie (ik zat in de bar, het regende, ik was aan het bellen) de imperfecto. De actie die dan plaatsvindt (binnenkomen, naar buiten gaan, de bel) is de pretérito. Dit patroon kom je voortdurend tegen in gesproken Spaans.
Gewoontes in het verleden
Een gebruik van de imperfecto dat Nederlanders soms verrast: gewoontes in het verleden. In het Nederlands zeg je "ik ging vroeger elke week naar de markt". In het Spaans gebruik je daarvoor de imperfecto, niet de pretérito.
Antes iba al mercado cada semana. Vroeger ging ik elke week naar de markt.
De joven no comía carne. Als jonge ik at ik geen vlees.
Siempre tomábamos café aquí. We dronken hier altijd koffie.
Het woord antes (vroeger, eerder) en siempre (altijd) zijn goede signaalwoorden. Ze wijzen vaak op herhaling of gewoonte, en dan is de imperfecto de juiste keuze.
Hoe ik het onthoud
Ik stel mezelf één vraag: beschrijf ik iets, of vertel ik iets?
Beschrijven is imperfecto. El pueblo era tranquilo. Het dorp was rustig. Había mucha gente. Er waren veel mensen.
Vertellen is pretérito. Llegué a las diez. Ik arriveerde om tien uur. Pedí un café. Ik bestelde een koffie.
Dat is niet de enige manier om ernaar te kijken, maar het helpt me snel een keuze te maken. En als ik de verkeerde keuze maak, begrijpt mijn gesprekspartner me bijna altijd toch wel. De fout valt op, maar de boodschap komt over. Dat is genoeg om gewoon door te blijven praten.
Voor de duidelijkheid: ik ben geen leraar Spaans. Ik woon in Spanje en leer de taal zelf, elke ochtend opnieuw. Deze serie bestaat omdat alle informatie over Spaans leren versnipperd over het internet ligt. Hier zet ik het per klein onderwerp op een rij, zoals ik het zelf had willen vinden.
Headerfoto: Miguel Cuenca via Pexels | Foto: Artem Podrez via Pexels