Spaans leren

Voorzetsels a, en en de: veelgemaakte fouten door Nederlanders

· Redactie Nieuws uit Spanje · ← Terug naar blog
Voorzetsels a, en en de: veelgemaakte fouten door Nederlanders

Er zijn van die woordjes die zo klein zijn dat je ze bijna over het hoofd ziet. A, en en de. Drie letters, twee letters, twee letters. En toch heb ik er in mijn eerste jaren met Spaans meer fouten mee gemaakt dan met alle werkwoordstijden bij elkaar.

Het probleem is dat we in het Nederlands ook voorzetsels hebben, en dat we onbewust denken dat die zich hetzelfde gedragen als in het Spaans. "Ik ga naar de dokter" wordt dan al snel voy en el médico, terwijl het voy al médico moet zijn. De denkfout zit hem in het feit dat we "naar" vertalen met een voorzetsel dat beweging aangeeft, en dat is in het Spaans bijna altijd a, niet en.

A: richting, tijd en die vreemde a voor personen

A gebruik je voor beweging naar een plek. Voy a Valencia (ik ga naar Valencia), vamos a la playa (we gaan naar het strand), subo al piso de arriba (ik ga naar boven). Let op de samentrekking: a plus el wordt altijd al. Nooit a el.

A gebruik je ook voor tijdstippen. A las tres (om drie uur), a mediodía (om twaalf uur 's middags). Hier maken Nederlanders zelden fouten, want dit voelt vertrouwd aan.

Waar het wel misgaat is de zogenaamde persoonlijke a. Als het lijdend voorwerp van een zin een persoon is, zet je er in het Spaans een a voor, ook al zou je in het Nederlands nooit een voorzetsel gebruiken. Veo a mi vecino (ik zie mijn buurman), niet veo mi vecino. Busco a Juan (ik zoek Juan). Deze a heeft geen vertaling in het Nederlands en dat maakt hem lastig te onthouden. Ik zeg tegen mezelf: als er een mens in het zinnetje voorkomt die iets ondergaat, komt er een a voor.

En: waar iets is, niet waarnaartoe

En geeft plaats aan, geen beweging. Estoy en casa (ik ben thuis), el pan está en la nevera (het brood zit in de koelkast), trabajo en Gandía (ik werk in Gandia). Dit is precies waar de verwarring met a ontstaat: in het Nederlands gebruiken we soms hetzelfde voorzetsel voor een plek waar je bent en een plek waar je naartoe gaat. "Ik ben in Gandia" en "ik ga naar Gandia" klinken in het Nederlands qua voorzetsel heel verschillend, maar bij andere zinnen glijdt dat verschil weg in ons hoofd en gebruiken we in het Spaans dan verkeerd en waar het a moet zijn.

Notitieboek met Spaanse zinnen op een tafel

Een klassieker die ik bij mezelf en bij anderen op het terras hoor: voy en el bar in plaats van voy al bar. Er is beweging, dus het moet a zijn. Pas als je er al bent, gebruik je en: estoy en el bar (ik ben in het café).

De: bezit, herkomst en materiaal

De is het voorzetsel voor bezit, herkomst en waarvan iets gemaakt is. La casa de mi vecino (het huis van mijn buurman), soy de Holanda (ik kom uit Nederland), una mesa de madera (een tafel van hout).

Ook hier geldt een samentrekking: de plus el wordt del. Vengo del pueblo (ik kom uit het dorp), nooit de el pueblo.

De fout die ik hier het meest maak, is de gebruiken waar het Nederlandse "van" ons op het verkeerde been zet in tijdsuitdrukkingen. "Van negen tot vijf" wordt de nueve a cinco, met de aan het begin en a aan het eind. Dat voelt in het begin onlogisch, want in het Nederlands gebruiken we twee keer hetzelfde soort woordje ("van... tot"), terwijl het Spaans hier echt twee verschillende voorzetsels eist.

Werkwoorden die een vast voorzetsel eisen

Een aparte categorie fouten ontstaat bij werkwoorden die in het Spaans een ander voorzetsel eisen dan je zou verwachten. Pensar en (denken aan) neemt en, niet a. Pienso en mis vacaciones (ik denk aan mijn vakantie). Maar empezar a (beginnen met) neemt a. Empiezo a entender (ik begin het te begrijpen).

Deze koppelingen leer je niet door na te denken over logica, want die logica is er vaak niet. Ik heb ze uiteindelijk pas onthouden door ze steeds in hele zinnen te herhalen, nooit los als rijtje. Een zin als pienso en ti (ik denk aan jou) blijft hangen, het losse feit "pensar + en" niet.

Wat mij wel heeft geholpen: bij twijfel hardop de zin uitspreken en luisteren of het "klinkt". Na een tijdje in Spanje ontwikkel je een soort gevoel voor welk voorzetsel waar hoort, ook al kun je de regel niet meer opnoemen. Tot die tijd blijft het een kwestie van zinnen stuk voor stuk goed instampen, het liefst de zinnen die je zelf steeds weer nodig hebt: naar de bakker, naar de markt, naar de dokter.


Voor de duidelijkheid: ik ben geen leraar Spaans. Ik woon in Spanje en leer de taal zelf, elke ochtend opnieuw. Deze serie bestaat omdat alle informatie over Spaans leren versnipperd over het internet ligt. Hier zet ik het per klein onderwerp op een rij, zoals ik het zelf had willen vinden.

Headerfoto: Alex Dos Santos via Pexels | Foto: cottonbro studio via Pexels