Spaans heeft honderdduizenden woorden, maar in een gewoon gesprek doet een klein clubje bijna al het werk. Taalonderzoek laat al decennia hetzelfde beeld zien: met de duizend meest gebruikte woorden versta je ergens rond de driekwart van alledaagse spreektaal, en de eerste honderd komen zo vaak voor dat je ze in elke zin tegenkomt.
Daar zit een les in voor iedereen die begint. Niet alfabetisch leren, niet de woordenlijst van hoofdstuk drie over fruit, maar eerst de woorden die het vaakst voorkomen. Elke minuut die je daarin steekt, betaalt zich in elk gesprek uit.
De lijst
Hieronder staan de ongeveer honderd woorden waarmee je het verst komt, gegroepeerd zodat ze te onthouden zijn. Lidwoorden en voorzetsels heb ik weggelaten, die leer je vanzelf in zinnen.
ser (zijn) · estar (zijn) · tener (hebben) · hacer (doen, maken) · ir (gaan) · poder (kunnen) · querer (willen) · decir (zeggen) · ver (zien) · saber (weten) · dar (geven) · venir (komen) · hablar (praten) · llegar (aankomen) · pasar (gebeuren, langskomen) · deber (moeten) · poner (leggen, zetten) · parecer (lijken) · quedar (blijven, afspreken) · creer (geloven) · llevar (dragen, meenemen) · dejar (laten, achterlaten) · seguir (volgen, doorgaan) · encontrar (vinden) · llamar (bellen, noemen) · pensar (denken) · salir (weggaan) · volver (terugkomen) · tomar (nemen) · conocer (kennen) · vivir (wonen, leven) · sentir (voelen) · trabajar (werken) · comer (eten) · necesitar (nodig hebben)
Vraagwoorden
qué (wat) · quién (wie) · cómo (hoe) · cuándo (wanneer) · dónde (waar) · por qué (waarom) · cuánto (hoeveel) · cuál (welke)
Kleine woorden die alles aan elkaar plakken
y (en) · o (of) · pero (maar) · porque (omdat) · si (als) · que (dat, die) · como (zoals) · cuando (wanneer) · también (ook) · tampoco (ook niet) · ya (al) · todavía (nog) · siempre (altijd) · nunca (nooit) · ahora (nu) · después (daarna) · antes (eerder) · aquí (hier) · allí (daar) · muy (heel) · más (meer) · menos (minder) · mucho (veel) · poco (weinig) · todo (alles) · algo (iets) · nada (niets) · alguien (iemand) · nadie (niemand)
Dagelijks leven
casa (huis) · día (dag) · tiempo (tijd, weer) · año (jaar) · vez (keer) · cosa (ding) · gente (mensen) · trabajo (werk) · dinero (geld) · agua (water) · comida (eten) · calle (straat) · ciudad (stad) · niño (kind) · hombre (man) · mujer (vrouw) · amigo (vriend) · semana (week) · hora (uur) · noche (nacht, avond) · mañana (ochtend, morgen) · vida (leven) · mundo (wereld) · país (land) · problema (probleem) · pregunta (vraag) · respuesta (antwoord)
Hoe je deze lijst gebruikt
Niet in één avond stampen. Dat voelt productief en na een week ben je het meeste kwijt. Pak elke dag een klein groepje, en herhaal de woorden van gisteren en eervorige dagen erbij. Gespreid herhalen is de enige methode waarmee woorden blijven plakken; waarom dat zo werkt lees je in het artikel over spaced repetition.
En let op de werkwoorden bovenaan. Die zijn onregelmatig, juist omdat ze zo oud en veelgebruikt zijn. Soy, estoy, tengo, voy en puedo leer je het snelst door ze elke dag in een echte zin te gebruiken, hardop, ook als er niemand luistert.
Voor de duidelijkheid: ik ben geen leraar Spaans. Ik woon in Spanje en leer de taal zelf, elke ochtend opnieuw. Deze serie bestaat omdat alle informatie over Spaans leren versnipperd over het internet ligt. Hier zet ik het per klein onderwerp op een rij, zoals ik het zelf had willen vinden.