Spaans leren

Lo, la, le, les: lijdend en meewerkend voorwerp in het Spaans

· Door Henry van Es · ← Terug naar blog
Lo, la, le, les: lijdend en meewerkend voorwerp in het Spaans

Vier letters. Soms twee. En toch zorgen lo, la, le en les voor meer verwarring dan de meeste mensen verwachten. Ik heb ze jarenlang door elkaar gebruikt. Bij de bakker, op het terras, in gesprek met buren. Het werkte, maar het klopte niet.

Tijd om dit een keer goed uit te zoeken.

Wat zijn deze woordjes eigenlijk?

In het Nederlands zeg je: "Ik zie hem." Dat "hem" vervangt een persoon of een ding. In het Spaans doet lo, la, le of les hetzelfde werk, maar je zet het voor het werkwoord.

De vier woordjes zijn persoonlijke voornaamwoorden die een zelfstandig naamwoord vervangen. Ze splitsen zich op in twee groepen met een heel verschillende functie.

Lo en la: het lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp is het ding of de persoon die de handeling ondergaat. "Ik koop de wijn" → de wijn is het lijdend voorwerp.

In het Spaans gebruik je: - lo voor mannelijke woorden - la voor vrouwelijke woorden

Een paar voorbeelden:

¿El vino? Lo compro yo. (De wijn? Die koop ik.)

¿La cuenta? La pido ahora. (De rekening? Die vraag ik nu.)

¿El coche? Lo llevo al taller mañana. (De auto? Die breng ik morgen naar de garage.)

¿La llave? No la encuentro. (De sleutel? Die vind ik niet.)

Het geslacht van het woord bepaalt dus welk woordje je gebruikt. Spaans kent geen onzijdig geslacht voor gewone zelfstandige naamwoorden, dus je hoeft alleen maar te onthouden: mannelijk wordt lo, vrouwelijk wordt la.

Voor meervoud: los voor mannelijke meervouden, las voor vrouwelijke meervouden.

¿Los tomates? Los compro en el mercado. (De tomaten? Die koop ik op de markt.)

¿Las naranjas? Las tengo en casa. (De sinaasappels? Die heb ik thuis.)

Le en les: het meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp is de persoon aan wie of voor wie iets gedaan wordt. "Ik geef hem een boek" → hem is het meewerkend voorwerp.

Hiervoor gebruik je le (enkelvoud) en les (meervoud). Het geslacht doet er hier niet toe.

Le doy las llaves al vecino. (Ik geef de buurman de sleutels.)

Le mando un mensaje a mi madre. (Ik stuur mijn moeder een berichtje.)

Les explico el problema a los clientes. (Ik leg de klanten het probleem uit.)

Merk op: in al deze zinnen staat het meewerkend voorwerp ook nog als volledig woord in de zin. Dat klinkt dubbelop, maar dat is in het Spaans heel gewoon. Je mag dat volledige woord weglaten, maar het woordje le of les blijft altijd staan.

Wanneer staan ze in de zin?

Normaal staan lo, la, le en les voor het werkwoord.

Gesprek op een Spaanse markt tussen klant en verkoper.

Lo veo todos los días. (Ik zie hem elke dag.)

Le pregunto dónde está la farmacia. (Ik vraag hem waar de apotheek is.)

Maar bij de gebiedende wijs, bij de infinitief (de basisvorm van een werkwoord) en bij de tegenwoordige deelwoordsvorm (een -ando of -iendo vorm) plak je het woordje erachter aan.

¡Cómpralo! (Koop het!)

Voy a comprarlo mañana. (Ik ga het morgen kopen.)

Estoy comprándolo ahora. (Ik ben het nu aan het kopen.)

Dit is even wennen, maar je herkent het patroon snel als je het een paar keer hardop zegt.

Als lo en le tegelijk voorkomen

Soms heb je in één zin zowel een lijdend als een meewerkend voorwerp. Dan staan beide woordjes voor het werkwoord, en het meewerkend voorwerp gaat altijd eerst.

Te lo digo. (Ik zeg het je.)

Se lo mando. (Ik stuur het hem/haar/hun.)

Wacht, se? Ja. Als le of les voor lo, la, los of las komt, verander je le en les allebei in se. Twee van dezelfde klanken achter elkaar klinkt stroef, dus het Spaans lost dat op.

Le lo digo bestaat niet. Het wordt altijd se lo digo.

Dit is een van die regels die je echt alleen leert door hem veel te horen en te gebruiken. Spaced repetition helpt hier goed: kleine kaartjes met precies dit soort zinsparen vastzetten in je geheugen.

Twee woorden, één persoon

Eén ding dat Nederlanders vaak vergeten: le kan zowel naar een man als naar een vrouw verwijzen.

Le pregunto a ella dónde vive. (Ik vraag haar waar ze woont.)

Le pregunto a él dónde vive. (Ik vraag hem waar hij woont.)

Hetzelfde woordje, twee verschillende mensen. Als het uit de context niet duidelijk is wie je bedoelt, voeg je gewoon a él of a ella toe.

Oefenen doe je het makkelijkst zo

Neem een zin met een volledig zelfstandig naamwoord en vervang dat door het juiste woordje. Begin met lijdend voorwerp.

Compro el panLo compro (brood is mannelijk)

Busco la llaveLa busco (sleutel is vrouwelijk)

Doe daarna hetzelfde met meewerkend voorwerp.

Doy el pan a mi vecinoLe doy el pan

Deze kleine oefeningen, steeds met woorden uit je eigen dagelijks leven bij de bakker of op de markt, zijn precies wat deze woordjes laat landen.


Voor de duidelijkheid: ik ben geen leraar Spaans. Ik woon in Spanje en leer de taal zelf, elke ochtend opnieuw. Deze serie bestaat omdat alle informatie over Spaans leren versnipperd over het internet ligt. Hier zet ik het per klein onderwerp op een rij, zoals ik het zelf had willen vinden.

Headerfoto: RDNE Stock project via Pexels | Foto: TBD Traveller via Pexels

Henry van Es Woont in La Drova (Valencia), Spanje. Schrijft over wat er verandert voor Nederlanders en Belgen hier — van belasting en zorg tot wonen en verblijfsrecht. Lees meer over de auteur →