Spaans leren

Hablo, como, vivo: de tegenwoordige tijd in het Spaans

· Redactie Nieuws uit Spanje · ← Terug naar blog
Hablo, como, vivo: de tegenwoordige tijd in het Spaans

Toen ik net in Spanje woonde, dacht ik dat de tegenwoordige tijd wel het makkelijkste onderdeel van de taal zou zijn. Geen uitzonderingen op verleden tijden, geen ingewikkelde manier van denken over de toekomst, gewoon zeggen wat er nu gebeurt. En in de basis klopt dat ook. Maar ik maakte in het begin precies dezelfde fout als bijna iedereen die uit het Nederlands komt: ik vervoegde alle werkwoorden alsof ze op -ar eindigden, ook als dat niet zo was. Dat valt bij een Spanjaard meteen op, ook al snappen ze je prima.

Drie groepen, drie patronen

Spaanse werkwoorden in de basisvorm, het zogeheten onbepaalde wijs, eindigen altijd op een van deze drie uitgangen: -ar, -er of -ir. Denk aan hablar (praten), comer (eten) en vivir (wonen, leven). Welke uitgang een werkwoord heeft, bepaalt hoe je het vervoegt in de tegenwoordige tijd. Je haalt de uitgang eraf en plakt er een nieuwe aan vast, afhankelijk van wie de zin uitvoert.

Voor -ar werkwoorden zoals hablar werkt dat zo:

yo hablo (ik praat), tú hablas (jij praat), él/ella habla (hij/zij praat), nosotros hablamos (wij praten), vosotros habláis (jullie praten), ellos hablan (zij praten).

Voor -er werkwoorden zoals comer:

yo como (ik eet), tú comes (jij eet), él/ella come (hij/zij eet), nosotros comemos (wij eten), vosotros coméis (jullie eten), ellos comen (zij eten).

Voor -ir werkwoorden zoals vivir:

yo vivo (ik woon), tú vives (jij woont), él/ella vive (hij/zij woont), nosotros vivimos (wij wonen), vosotros vivís (jullie wonen), ellos viven (zij wonen).

Het verschil tussen -er en -ir werkwoorden zit hem bijna alleen in de wij-vorm en de jullie-vorm. Bij nosotros en vosotros blijft bij -ir werkwoorden de i staan, terwijl die bij -er werkwoorden een e wordt. Dat is het enige moment waarop je echt moet onthouden tot welke groep een werkwoord hoort. De rest van de vervoeging is bij allebei identiek.

Notitieboek met handgeschreven Spaanse werkwoordsvervoegingen

Waarom ik het fout deed

Ik had een tijdje de gewoonte om werkwoorden als comer te vervoegen met de uitgangen van hablar. Ik zei yo como goed, maar bij het meervoud ging het mis: ik zei comamos in plaats van comemos, puur omdat mijn brein automatisch naar het -ar patroon greep. Dat is logisch, want dat patroon leer je als eerste en dat zit het snelst vast. Maar het is ook precies waarom het de moeite waard is om bewust naar de uitgang van een werkwoord te kijken voordat je begint te vervoegen.

Een truc die bij mij hielp: hardop de drie voorbeeldwerkwoorden hablar, comer en vivir oefenen tot de patronen vanzelf gaan, en dan pas nieuwe werkwoorden erbij pakken. Zodra die drie modellen erin zitten, kun je bijna elk regelmatig werkwoord vervoegen door simpelweg de uitgang te vergelijken.

Onregelmatige werkwoorden zijn een ander verhaal

Niet alle werkwoorden volgen dit nette patroon. Tener (hebben), querer (willen) en poder (kunnen) bijvoorbeeld veranderen van klank in bepaalde vormen: yo tengo, tú tienes, él tiene. Dat zijn de zogeheten onregelmatige werkwoorden, en die moet je per stuk leren. Maar het goede nieuws is dat de meeste Spaanse werkwoorden wel gewoon regelmatig zijn en netjes een van de drie patronen volgen. Als je die drie eenmaal beheerst, kun je al een groot deel van de taal aan.

Wanneer gebruik je de tegenwoordige tijd eigenlijk

In het Spaans gebruik je de tegenwoordige tijd niet alleen voor dingen die nu op dit moment gebeuren, maar ook voor gewoontes en algemene feiten. Trabajo en Valencia (ik werk in Valencia) zegt niets over dit exacte moment, het is gewoon mijn vaste situatie. El sol sale por el este (de zon komt op in het oosten) is een feit, geen actie die nu plaatsvindt.

Spanjaarden gebruiken de tegenwoordige tijd ook vaak voor dingen die in het Nederlands met een toekomende tijd zouden worden gezegd, zeker als het over iets gaat dat al vaststaat. Mañana voy al mercado (morgen ga ik naar de markt) klinkt voor een Spanjaard heel normaal, ook al gaat het over morgen. Wil je meer weten over hoe de toekomst in het Spaans precies werkt, dan is Voy a llamar: de toekomst met ir a in het Spaans een handig vervolg op dit onderwerp.

Oefenen op het terras

Wat bij mij echt hielp was simpelweg hardop oefenen met alledaagse zinnen. Bij de bakker zeg je bijvoorbeeld quiero una barra de pan (ik wil een stokbrood), en op het terras hoor je om je heen voortdurend zinnen als ¿qué bebes? (wat drink je?) of ¿comemos aquí o en casa? (eten we hier of thuis?). Juist in die korte, herhaalde zinnetjes uit het dagelijks leven wennen je oren en je mond aan het ritme van de vervoeging, veel sneller dan wanneer je alleen rijtjes uit je hoofd leert.


Voor de duidelijkheid: ik ben geen leraar Spaans. Ik woon in Spanje en leer de taal zelf, elke ochtend opnieuw. Deze serie bestaat omdat alle informatie over Spaans leren versnipperd over het internet ligt. Hier zet ik het per klein onderwerp op een rij, zoals ik het zelf had willen vinden.

Headerfoto: Sofía Marquet via Pexels | Foto: Katerina Holmes via Pexels