Toen ik net Spaans leerde, was ik apetrots op mijn eerste toekomende tijd. Mañana iré al mercado, morgen ga ik naar de markt, zei ik tegen de vrouw achter de kaaskraam. Ze knikte vriendelijk en zei zelf iets heel anders: mañana voy al mercado. Dezelfde toekomst, twee heel verschillende zinnen. Ik dacht dat ik iets fout had gezegd. Dat was niet zo. Ik had alleen de vorm gebruikt die in een boek staat, terwijl zij de vorm gebruikte die je op straat hoort.
Hoe je hablaré maakt
De toekomende tijd in het Spaans is een van de makkelijkste tijden om te vormen. Je pakt de hele infinitief, dus het hele werkwoord zoals het in het woordenboek staat, en plakt er een uitgang aan vast. Die uitgang is voor alle werkwoorden hetzelfde, of ze nu op -ar, -er of -ir eindigen.
Hablar wordt: hablaré (ik zal spreken), hablarás (jij zult spreken), hablará (hij/zij zal spreken), hablaremos (wij zullen spreken), hablaréis (jullie zullen spreken), hablarán (zij zullen spreken).
Bij comer en vivir werkt het precies zo: comeré, comerás, comerá... en viviré, vivirás, vivirá... Geen stamveranderingen, geen gedoe. Er zijn een paar werkwoorden die de infinitief inkorten voordat de uitgang erbij komt, zoals tener dat tendré wordt in plaats van het onhandige teneré, of hacer dat haré wordt. Maar die lijst is kort en leer je vanzelf door herhaling.
Waarom Spanjaarden hem vaak links laten liggen
Het probleem zit niet in de vorm. Het zit erin dat je in het dagelijkse Spaans, net als in het Nederlands trouwens, de toekomst meestal anders uitdrukt. Wij zeggen ook niet steeds "ik zal morgen naar de markt gaan". We zeggen "ik ga morgen naar de markt". Precies dat gebeurt in het Spaans ook, met ir a plus de infinitief.
Voy a llamar al fontanero (ik ga de loodgieter bellen), vamos a cenar en la terraza (we gaan op het terras eten), ¿vas a venir a la fiesta del pueblo? (kom je naar het dorpsfeest?). Dit is de vorm die je bij de bakker hoort, aan de bar, in de garage als ze je auto beloven. Niet hablaré con el mecánico, maar voy a hablar con el mecánico (ik ga met de monteur praten).

Er is ook nog een derde manier, en die is misschien nog wel gewoner: gewoon de tegenwoordige tijd gebruiken voor iets dat in de nabije toekomst gebeurt. Mañana voy al médico (morgen ga ik naar de dokter), el domingo comemos en casa de mis padres (zondag eten we bij mijn ouders). Geen toekomende tijd, geen ir a, gewoon de tegenwoordige tijd met een tijdsaanduiding erbij. Dat klinkt in het Nederlands ook heel normaal: "ik ga morgen naar de dokter" zeggen we ook liever dan "ik zal morgen naar de dokter gaan".
Wanneer je hablaré dan wél gebruikt
De vorm met -ré is niet nutteloos, verre van. Je hoort hem vooral bij dingen die verder weg liggen, minder zeker zijn, of een beetje plechtig klinken. Voorspellingen bijvoorbeeld: mañana lloverá en el norte (morgen zal het regenen in het noorden), zoals je op het journaal hoort. Beloftes op langere termijn: algún día viviremos cerca del mar (ooit zullen we bij de zee wonen). Formele aankondigingen: el ayuntamiento construirá una nueva piscina (de gemeente zal een nieuw zwembad bouwen), zoals je op een bord bij het gemeentehuis kunt lezen.
En er is nog een gebruik dat veel mensen niet kennen: je kunt met de toekomende tijd ook een vermoeden over het hier en nu uitdrukken. Als de telefoon gaat en je weet niet wie het is, zeg je será mi hermana (dat zal mijn zus wel zijn), niet omdat het in de toekomst gebeurt, maar omdat je gokt. Iemand klopt aan en je vraagt je af hoe laat het is: serán las tres (het zal wel drie uur zijn). Dit gebruik verwart veel mensen die net beginnen, omdat er helemaal geen toekomst in zit. Het is puur een manier om onzekerheid uit te drukken.
Wat dit betekent voor hoe je oefent
Als je Spaans leert, is het verleidelijk om de nette schoolvorm overal in te zetten, want die heb je uit je hoofd geleerd en die voelt veilig. Maar als je wilt klinken zoals de mensen om je heen, oefen dan juist met ir a en met de tegenwoordige tijd voor toekomstige plannen. Bewaar hablaré, iré, tendré voor de dingen die verder weg liggen of onzeker zijn.
Een makkelijke oefening: denk aan drie dingen die je morgen gaat doen, en zeg ze hardop met voy a. Denk daarna aan iets wat je pas over een paar jaar verwacht, en zeg dat met de vorm op -ré. Zo wen je eraan om automatisch de juiste vorm te kiezen in plaats van steeds terug te vallen op wat je het eerst geleerd hebt. Wie moeite heeft om dit soort zinnen hardop te blijven herhalen zonder iemand om tegen te praten, kan dat prima zonder gesprekspartner oefenen, gewoon in de auto of tijdens het koken.
Wat mij vooral hielp, was gewoon goed luisteren naar wanneer mensen om me heen welke vorm gebruikten. Bij de kaaskraam gaat het bijna altijd over voy a en morgen. Op het journaal gaat het over -ré en het weer van volgende week. Die twee werelden naast elkaar leren herkennen is nuttiger dan de vervoegingstabel nog een keer overschrijven.
Voor de duidelijkheid: ik ben geen leraar Spaans. Ik woon in Spanje en leer de taal zelf, elke ochtend opnieuw. Deze serie bestaat omdat alle informatie over Spaans leren versnipperd over het internet ligt. Hier zet ik het per klein onderwerp op een rij, zoals ik het zelf had willen vinden.
Headerfoto: TBD Traveller via Pexels | Foto: Liisbet Luup via Pexels